Oezbekistan


24 april -  11 mei 2017
710 km

On the road again

Bukhara - 27.04.17

km 5531

De 12 dagen in België hebben me deugd gedaan, maar ik voel dat het tijd is om weer te vertrekken. Ik wil niet te veel uit mijn reisritme geraken.
Barry is voorzien van 2 nieuwe buitenbanden en ik heb allemaal lekkers mee om de eerste dagen en weken te kunnen snoepen met een beetje België op mijn smaakpapillen.

Ik vlieg naar Tashkent (Oezbekistan) waar ik om 1u ’s nachts (lokale tijd) toekom. Het duurt 2u om door de paspoortcontrole en douane te komen. De paspoortcontrole gaat gewoon traag, maar ik heb mijn visum al, dus er is geen enkel probleem. Voordeel is dat de bagage al op de band ligt als ik eenmaal daar ben. Voor de douane moet ik 2 identieke formulieren invullen waarop ik aangeef hoeveel buitenlandse valuta ik bij heb en welke elektronische apparaten. Ik doe het heel nauwgezet zodat ze me op niks kunnen pakken als ik het land weer verlaat. Want ik heb gehoord dat ze dat hier maar wat graag proberen om zo wat extra munt uit je te kunnen slaan. Alles gaat door de scanner en verder maken ze nergens een probleem van.
In de lege aankomsthal puzzel ik Barry weer in elkaar en fiets naar de hostel die ik geboekt heb. Het is 5u ’s morgens en al licht als ik in mijn bed kruip.

In de namiddag ga ik samen met enkele mensen uit de hostel op stap in de stad om een paar essentiële dingen te regelen, zoals geld wisselen. In Oezbekistan kan je dat best op de zwarte markt doen. Ik ben hier helemaal niet in thuis, dus ik ben blij dat ik mensen mee heb die dit al eerder gedaan hebben. Je krijgt op de zwarte markt bijna het dubbel van de officiële wisselkoers, dus het is de moeite om te doen.
Rond het station lopen genoeg mannen rond die ‘change, change’ roepen, allemaal met een plastieken zak in de hand, vol geld. Dat is nodig want je krijgt een hele hoop biljetten voor 100 dollar. Je moet elk geldstapeltje zorgvuldig natellen want ze proberen natuurlijk wat minder te geven, of van die gescheurde biljetten. Gewoon je tijd nemen en rustig tellen.

Daarna ga ik een treinticket kopen om de volgende dag naar Bukhara te reizen. Ik snap niks van de loketten of de wachtrijen, maar ik heb wel al door dat het lang gaat duren. Ze registreren je paspoort en tikken een hele lijst van weet ik wat in en dan printen ze een ticket. Een behulpzame Oezbeek probeert het wat sneller te laten gaan voor mij, dus ik word van hier naar daar gestuurd, maar uiteindelijk heb ik mijn ticket te pakken.

De volgende ochtend ben ik bijna een uur voor de trein vertrekt aan het station. Ik moet eerst door een controlepost (Barry past amper in het deurgat), daarna gaat alles in de scanner en ben ik eindelijk binnen. Als je hier niks te zoeken hebt, dan kom je er niet in. Ik vraag me af hoe dit werkt als het spitsuur is.
Er is veel security en spoorwegmensen die me om de haverklap om mijn ticket vragen, maar wel heel vriendelijk de weg wijzen met de minste obstakels voor de fiets. Ik hoef niks extra te betalen voor Barry, wat ook wel eens fijn is. In de trein komen ze rond met thee of koffie en lekkers voor erbij. Na 7u en met een uur vertraging kom ik aan in Bukhara.

Hier onderneem ik een poging om een simkaart te kopen. Je hebt hiervoor je paspoort nodig en het laatste registratieformuliertje van je hotel. In Oezbekistan ben je verplicht om elke nacht in een officieel hotel te slapen en daarvan een bewijs op zak te hebben. In theorie is om de 3 nachten voldoende. Die registratieformulieren kunnen ze opvragen aan de grens en als je niet in orde bent, dan moet je een boete betalen. Al gebeurt dat zelden.
Bij de eerste telecomwinkel durven ze me niet verder helpen omdat ik een registratieformulier heb uit Tashkent. Ze sturen me naar de stad. Daar zeggen ze dat ik in het hoofdgebouw moet zijn, maar dat gaat bijna sluiten dus moet ik de volgende dag terug komen. Maw ik moet in mijn hostel weer een nieuw registratieformulier vragen. De volgende dag lukt het me wel. De aanhouder wint.

Na al die rompslomp kan ik eindelijk iets van de stad gaan bekijken. En die is prachtig. Mooi gerestaureerde gebouwen, woestijnbruin met van die blauwe geglazuurde tegels. Weinig toeristen op de trekpleisters en dan nog dikwijls Oezbeekse tourgroepen in traditionele kledij. Op zich al de moeite om te bekijken. Ik kijk mijn ogen uit en geniet van al het moois. 

Meer foto's

De wind van voren

Samarkand - 02.05.17

km 5755

Na een paar dagen Bukhara sta ik te trappelen van ongeduld om weer te gaan fietsen. Ik heb 280 km voor de boeg en besluit om het rustig aan te doen en 4 etappes te fietsen van telkens 70 km. Het landschap lijkt vlak, maar klimt zo’n 500 meter tot in Samarkand. Gespreid over die afstand is dat peanuts, maar doe daar een stevige oostenwind bij en die gemakkelijke etappes veranderen al snel in zeer uitputtende dagen.

De eerste dag valt het allemaal wel mee. Ok, de wind zit tegen, maar ik ben zo blij weer op de fiets te zitten en het nieuwe land in me op te nemen, dat ik het helemaal niet zo erg vind. Bovendien ben ik uitgerust en fit, dus ik hou het wel enkele uren vol op de fiets. Ik rij tot in Qiziltepa en weet bij god niet waar ik ga slapen. Na wat traag rondfietsen rond het centrale plein in de hoop uitgenodigd te worden, ga ik over tot hardere actie. (Ik ben duidelijk niet meer in Iran waar ik al lang 3x was uitgenodigd.) Ik vraag 2 madammen of ze een slaapplaats weten en ze sturen me naar een hotel. Daar aangekomen blijkt dat niet meer open te zijn. Ik probeer nog gedaan te krijgen dat ik toch in een van de kamers kan slapen, maar de man hapt niet toe. Als er wat vrienden bij komen, zie ik twijfel in zijn ogen, maar ik voel dat het hier niet gaat lukken en vertrek weer.

Ik zie een restaurant en ga het daar eens proberen. De truuk is om eerst iets te eten, wat te socializen met de eigenaars en dan de vraag te stellen of nog beter, hen de vraag laten stellen: waar ga je slapen? De sfeer zit onmiddellijk goed als ik binnenkom. Iedereen is nieuwsgierig en lacherig en al snel zitten er een paar mensen bij me aan tafel. We raken aan de praat en net als ik zit te bedenken wanneer ik iets moet vragen, stellen ze zelf de vraag. Waar ga je slapen? Ik haal mijn schouders op. Je kan hier wel slapen, er is nog een kamer naast het restaurant. Kajing! Gelukt.
De rest van de avond wordt er gedanst, thee gedronken (alcohol behoorde ook tot de opties) en gepraat. De eigenaar neemt me mee naar zijn kantoortje en daar leg ik mijn matras op de grond. Blijkt dat hij, zijn vrouw en hun zoontje ook in dat krappe hokje blijven slapen. Ach, gezellig.

De volgende morgen neemt Doniyor me mee naar de markt om inkopen te doen voor het restaurant. Langs de slijterij, bakkerij, slagerij, kaasboer en groentemarkt. Na een stevig ontbijt en een fotosessie ben ik er vandoor. De wind is nog niet geminderd. Met de iPod in de oren (ook goed tegen het rondvliegend zand) trap ik stevig verder. ’s Middags lunch ik in Karmana met enkele somsa’s (driehoekige bladerdeeghap gevuld met vlees en ajuin), een slaatje en een grote pot thee. Wat later stopt er een bus schoolkinderen die allemaal met me op de foto willen en een van de leraressen komt nog het meest verrassend uit de hoek. Ze stopt me een biljet van 10 000 som toe (1,5 euro). Ik weiger verschillende keren, maar ze zegt ‘surprise’ en duwt me het geld stevig in mijn handen. Ok dan, zo is mijn lunch ineens terugbetaald.

Ik fiets nog enkele uren door tot ik aan mijn 70 km zit en draai dan de hoofdweg af en rij een gehucht binnen. Ik zie 2 vrouwen onkruid wieden in hun voortuin en vraag of ze misschien een slaapplaats weten. Een van de vrouwen loopt weg, naar binnen zo blijkt, en komt terug met haar man. Die spreekt een beetje Duits en ik stel hem dezelfde vraag. Hij gebaart dat ik hem moet volgen. En zo kom ik bij een familie terecht die komkommers kweekt en in een groot net huis woont. Er is thee, en komkommers (ah ja!) en ook nog plov (Oezbeekse rijstmaaltijd). Ik leer wat Oezbeeks van de dochter des huizes en laat haar mijn fotoalbum zien. Dat vinden ze altijd geweldig. Het enige nadeel is dat je daarna naar hun foto’s moet kijken en dat zijn er een pak meer. Maar hey, ik ben een voorname gast en dus knik ik en wijs ik en stel vragen over wie er allemaal op de slecht getrokken foto’s staan.

Dag 3 is de wind alleen maar toegenomen. Het is alsof je bergop aan het fietsen bent, zo traag gaat het. Maar ik blijf rustig door trappen en probeer er niet aan te denken hoe lang deze dag gaat duren. Ik krijg soms gezelschap van lokale fietsers. Nee, geen coureurs zoals je bij ons zou verwachten, maar wel oude of jonge mannen op een fiets van Oezbeekse kwaliteit. Soms spreken ze me aan, soms zeggen ze alleen goeiedag en soms willen ze een high five in het passeren. Dat kan allemaal!

’s Middags rij ik de hoofdweg af en zet mijn stoeltje langs een veld met graan. Ik eet een stuk brood met kaas en komkommers en val zowaar in slaap in de heerlijk warme zon. De tegenwind begint duidelijk zijn tol te eisen. Ik word wakker van een auto die naast me stopt met enkele mannen in. Die vragen of ik alleen ben en of ik misschien zin hebt om mee iets te gaan drinken. En ze bedoelen geen thee… ’t Is tijd dat ik weer verder rij.

De dag eindigt in Katta Korghan, een middelgrote stad waar ook een hotel zou moeten zijn. Op mijn fiets was ik me al aan het inbeelden dat ik een lekker warme douche zou kunnen nemen om 3 dagen zand, stof en zweet van me af te spoelen. Maar na enige rondvraag en rond fietsen blijkt dat er niet (meer) te zijn. Dat valt tegen.
Er zit niks anders op dan weer iemand aan te spreken. Deze keer pik ik er een koppel uit dat buiten voor hun appartement staat. Ze overleggen even met elkaar en nodigen me dan uit binnen te komen. Ik word in de keuken aan tafel gezet, krijg een bord plov voorgeschoteld (weeral) en moet met de man mee ‘whisky’ drinken. (Op een vermoeid lijf werkt dat slaapverwekkend.)

Het appartement is volledig onderkomen, de badkamer of het toilet heeft nog nooit een spons gezien en de kakkerlakken (kleintjes, maar toch) lopen over de vensterbank. ’t Is niet dat ik veel keuze heb en ik leg me te slapen in de aangrenzende kamer. ’s Morgens bakt de vrouw eieren voor mij met brood. Ik geef haar wat geld, ’t is niet veel, maar ze kan het gebruiken. Ze heeft nog 2 zoontjes en haar man doet niet veel anders dan voetbal kijken en drinken.

De wind is nu stilaan uitgegroeid tot een storm, zo voelt het toch. Ik kom nog amper vooruit. Na 1,5u fietsen ben ik amper 9 km verder. Aan dit tempo haal ik Samarkand vandaag zelfs niet. Als ik na een stevige rukwind bijna onder de wielen van een truck terecht kom, geef ik het op. Ik lift. Na 10 minuten word ik al opgepikt door een busje en 50 km verder weer afgezet. Ik fiets de laatste 10 km naar Samarkand en ben al iets na de middag in mijn hostel. Ik kan eindelijk die langverwachte douche nemen en daarna val ik als een blok in slaap. Als ik wakker word, zit mijn neus helemaal dicht en heb ik barstende hoofdpijn. Het is het begin van een stevige verkoudheid. Samen met al het zand en stof heb ik waarschijnlijk ook heel wat bacteriën binnen gekregen. Dat wordt enkele dagen uitzieken voor ik weer verder rij. 

Meer foto'sMeer foto's

Door de bergen naar de grens 

Dushanbe -18.05.17

km 6326

Na 5 dagen Samarkand en de stad van voor tot achter gezien te hebben, voel ik me weer fit genoeg om verder te fietsen.
Ik klim de stad uit, de Tahtakaraca pas (1788m) over en zoef langs de groene heuvels weer naar beneden. Ik slaap in een groot hotel, dat achteraf een sanatorium blijkt te zijn. Ze hebben hier precies nog nooit een toerist ontvangen en de kamer is belachelijk goedkoop en wordt voor mijn ogen gepoetst. Iedereen komt helpen om de bagage naar boven te dragen en Barry te bewonderen.

De dag erna ben ik in Shakhrisabz, dat is de thuisstad van Timur die in de 14e eeuw Samarkand mee vorm gegeven heeft. Hij heeft ook enkele indrukwekkende gebouwen achtergelaten in Shakhrisabz. Vroeger lagen die gewoon tussen de huizen, nu is er een gigantisch historisch park ontwikkeld waar je van aan de restanten van het Ak-Saray paleis helemaal tot aan de Kok-Gumbaz moskee kan lopen. In het weekend komen hier heel wat trouwkoppels hun foto’s nemen.

Na Shakhrisabz fiets ik door een groen landschap waar het rood van de klaprozen fel tegen afsteekt. Op de achtergrond zie ik de bergen die ik morgen zal inrijden. Ik kom al vroeg in de namiddag toe in Guzor. Ik ga naar de bazaar om eens te horen of hier ergens een hotel is. De antwoorden lopen nogal uiteen en ik word er niks wijzer van. Bovendien staan al die mannen zo dicht rond mij dat ik er ongemakkelijk van wordt en weer vertrek.
Wat later haalt een van de bazaarmannen me met de auto in. Hij maakt duidelijk dat ik bij hem kan slapen. Met de hulp van de google translate app kom ik te weten dat hij bij zijn ouders woont en dat ik dus geen gevaar loop om als vrouw alleen met een man alleen mee te gaan.

In het huis blijken wel 20 mensen rond te lopen, ze ontvangen me als een prinses. Wassen, daarna thee met koekjes, noten, brood… In de tuin zitten enkele mannen gigantisch veel wortelen te snijden en wat later brengt iemand een pas geslachte geit en ben ik getuige van het versnijden van dat beest. Het hele beest wordt gebruikt en alles krijgt zijn bestemming in een kookpot.

’s Avonds komt er een meisje toe dat onder haar sjaaltje een gouden hoedje verbergt. Ze is daar met haar schoonmoeder. Wat ik er van begrepen heb, is dat de schoonmoeder haar (toekomstige) schoondochter komt voorstellen. De vrouwen gaan apart in een kamer, er is veel eten en er wordt gebeden. Dat doen ze door hun handpalmen naar de hemel te richten, iets te prevelen en daarna met hun handen hun gezicht af te vegen. Ik vind het een heel mooi gebaar. Het is een kort gebed waarin ze hun dank uitspreken voor de maaltijd.

’s Morgens drink ik voor het eerst geitenmelk. Ik ben bang dat ik het niet lekker ga vinden, aangezien ik ook niet zo zot ben van het vlees. Maar ik ben aangenaam verrast. Het is als koemelk maar minder vettig.

Vandaag krijg ik voor het eerst sinds lang nog eens wat regen over me heen. De bergen zien er daardoor wat troosteloos uit. Maar het duurt allemaal niet lang, en eens de zon erdoor komt, loopt de temperatuur weer vlotjes op tot 33 graden. Het is klimmen en dalen door een prachtig landschap en dat is zo voor de komende 2 dagen.


De ochtend dat ik uit Boysun vertrek, kijk ik de hele tijd achter mij. Het landschap is adembenemend. Ik moet de hele tijd stoppen om foto’s te nemen, want elke kilometer verder, lijkt het uitzicht nog mooier dan voordien. Ik heb een beetje spijt dat ik deze vallei moet verlaten.
De weg is hier nog redelijk goed, maar als ik eenmaal uit de bergen kom, ligt hij er verschrikkelijk bij. Bovendien is het superheet en bestaat de route uit van die korte venijnige klimmetjes en trage afdalingen omwille van de slechte weg. Maar ook daar komt een einde aan en de laatste 30km fiets ik vlot naar Denov.

Nog 40 km fietsen tot aan de grens met Tadzjikistan. Ik neem in mijn hoofd afscheid van het land en denk aan het beeld dat ik van het land had voor ik naar hier kwam en hoe dat nu veranderd is.
Ik had op verschillende blogs gelezen dat ik enorm veel politiecontrole ging krijgen. Stoppen, paspoort laten zien, grote kans dat ze gaan proberen om geld af te troggelen… Maar ik heb over die 710 km misschien 3 keer mijn paspoort moeten tonen en nooit heeft er iemand geprobeerd om smeergeld te vragen. Naar ’t schijnt ligt dat aan de nieuwe president. Die treedt nu veel strenger op tegen zijn eigen politiemensen. Hij wil meer toeristen aantrekken en dan helpt het niet als je politieapparaat een slechte naam heeft.

Ik heb veel mensen ontmoet met gouden tanden, zowel jong als oud. Vroeger was dat een teken van welstand, maar ondertussen is dat gewoon de mode. Het is geen echt goud maar een soort edelmetaal dat ze als een filmpje over de tanden leggen. Ze zijn er enorm fier op.
De vrouwen dragen veelal traditionele kledij. D.w.z. een lang kleed met daaronder een broek in dezelfde stof. Het valt me vooral op hoe dik de vrouwen zijn. En nog opvallender is hun loop. Doordat ze zo dik zijn, waggelen ze eerder. Zoals een hoogzwangere vrouw al wel eens waggelt.
En als je dan hun trouwfoto’s ziet, dan is het nog schrijnender. Daarop zien ze er slank en mooi uit, maar enkele jaren later hebben ze alles al laten hangen en verstoppen ze hun dikke buiken in brede gewaden. Dit is misschien niet typisch aan dit land, maar het viel me toch enorm op.

Ze rijden hier in kleine auto’s maar die zien er allemaal wel heel proper uit. In elk dorpje zijn zeker 3 (hand)carwashes. Het kost ongeveer een euro om je auto te laten wassen, wat voor hier best duur is. Maar als je dat bij ons voor dat geld kon laten doen…

Over de grensovergang naar Tadzjikistan wordt onder fietsers/motards/overlanders veel gespeculeerd op voorhand. De grensovergang bij Denov zou heel corrupt en streng zijn. Je moet genoeg registratieformuliertjes hebben anders kan je een boete krijgen of gedeporteerd worden.
Enfin, genoeg om mij op voorhand al wat bang te maken.
Maar wat blijkt… het is een eitje. Ok, alle bagage moet door een scanner en moet je daarna ook nog eens uitladen (ik hield wijselijk mijn medicijnen wat achter, anders willen ze die ook één voor één controleren). De douane is door mijn telefoon gegaan op zoek naar ‘verboden’ foto’s, maar mijn laptop en fotocamera hebben ze met rust gelaten. Naar mijn registratieformuliertjes hebben ze wel eens gekeken, maar het enige wat ze zeiden was: Ah, you slept in hotel Denov, very good he! Al bij al kreeg ik vlot mijn exit-stempel en mocht ik naar de overkant. Daar ging het zowaar nog vlotter en zo stond ik ineens op Tadzjiekse bodem. 

Meer foto's